'Ik blijf nog even kletsen'

Rosan Hollak

Waarom schrikken wij zo van een doodskist? En wat heeft het grote publiek aan de ideeën van een filosoof? NRC-journalist Rosan Hollak volgde de Denker des Vaderlands René Gude, bij wie in 2007 botkanker werd geconstateerd, in zijn laatste levensjaar tot aan de dag voor zijn dood.

In de Monty Python-film The Meaning of Life (1983) dineert een stel Britten en Amerikanen in een afgelegen landhuisje. Er wordt aangeklopt: een benige gestalte, gehuld in een zwarte cape en gewapend met een grote sikkel, staat voor de deur. Met zware stem kondigt hij zichzelf aan. De verbaasde gastheer roept vanuit de hal tegen zijn echtgenote: ‘It’s a Mister Death or something… He’s come about the reaping?’ Het echtpaar laat de duistere figuur binnen, maar het gezelschap aan tafel blijkt weinig onder de indruk van zijn verschijning. Mister Reaper krijgt een drankje aangeboden en de tafelgenoten beginnen druk te kletsen over het ‘fenomeen dood’. Een van de Amerikanen, een heerschap in een geruit pak en met een grote grijns op zijn gezicht, beschouwt de komst van de man zelfs als een ‘positieve leerervaring’ en begint een uitgebreide lezing te houden. Tot de ongenode gast hem woedend onderbreekt en gromt: ‘Quiet! You Americans, you always talk and talk and talk…’ Een dame aan tafel vraagt beteuterd waarom ze allemaal tegelijk moeten sterven. Dan wijst Mister Reaper met zijn benige vinger op de schaal met aangesneden, vergiftigde zalmmousse.

Die man in het geruite pak – het had René Gude kunnen zijn. De afgelopen jaren sprak de Denker des Vaderlands met zoveel vuur over de dood dat, toen deze echt binnenviel, het nauwelijks te bevatten was dat hij er zelf niet meer was om erover te vertellen. Toch bleef ook voor René de dood iets onbepaalds. Vorig jaar concludeerde hij nog in een gesprek over zijn eenbenige doodskist: ,,Ik denk niet dat de mens zich een voorstelling van de dood kan maken.’’ Daarover tobben deed hij dan ook niet. Maar voor René was de dood, vanwege zijn ongeneeslijke ziekte, wel een reële bedreiging. Hij kon er op een andere manier over spreken dan iemand die de dood beschouwt als iets dat ooit zal plaatsvinden. Toch was hij niet zozeer bezig de dood te duiden, maar benadrukte hij vooral hoe we met het stervensproces van een ander kunnen omgaan.

In de media wees hij er telkens op dat het tegemoet treden van de dood uiteindelijk geen individuele aangelegenheid hoeft te zijn. Eind december vorig jaar zei hij hierover: ,,Niemand wil over de dood praten, iedereen vindt het akelig. Die emotionele weerzin is de eerste reactie. Maar die kan je benoemen. En wat er daarna te winnen valt, is dat je op tijd begint een gezamenlijke state of mind te ontwikkelen, zodat er niet ineens op het laatste moment akelige dingen misgaan waardoor familieleden met onafgemaakte zaken gaan lopen pielen.’’ Kennis, gevoelens, gedachten over zo’n lastig onderwerp, dat is wat we met elkaar moeten uitwisselen. René was wat dat betreft een echte leraar. Iemand die hardop nadacht en in het gesprek kon verrassen met een onverwacht idee of een gekke associatie. Zijn kracht zat hem niet zozeer in het geschrift, maar in het gesproken woord. Met René in de kamer zitten, betekende dat je werd meegenomen in een betoog waarin een idee over de stoïcijnen moeiteloos werd verbonden aan een theorie over grizzlyberen.

Tijdens zijn studie, als hoofdredacteur van Filosofie Magazine en als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW), had René vele filosofen bestudeerd – van Descartes en Kant tot Nietzsche en Sloterdijk. Ik kende René al uit de tijd dat ik, eind jaren negentig, mijn eerste stukjes voor Filosofie Magazine schreef en hij, rondlopend op klompen, druk bezig was het filosofisch tijdschrift stevig op de markt te zetten. In die tijd zat hij al boordevol opvattingen en verhalen over denkers, maar had hij weinig tijd om zijn ideeën te ontwikkelen. Het was voor hem, in de laatste jaren in zijn rol als Denker des Vaderlands, bevredigend dat hij die kennis over filosofen ineens wel met een groot publiek kon delen. Nadat het boekje Stand-up filosoof (2013) van Wilma de Rek was verschenen, werd hij omarmd door de media. Hij trad sindsdien geregeld op in De Wereld Draait Door (DWDD), kwam bij Theo Maassen in het programma 24 uur met... en maakte met Wim Brands het boekje ‘Sterven is doodeenvoudig. Iedereen kan het.’ Ook sprak hij met zijn vrouw Babs over zijn naderende dood in het EO-programma De Kist waar hij poseerde in een eenbenige kist die hij – aangezien hij zijn rechterbeen al sinds 2011 miste – speciaal had laten maken.

Tijdens de gesprekken die ik gedurende 2014 en begin dit jaar met René voerde, hadden we het dan ook over zijn rol als publieksfilosoof en hoe hij daar uiting aan gaf in de media. Ik vroeg hem of hij het niet raar vond ineens een BN’er te zijn die zulke intieme zaken als ziekte en dood met een groot publiek deelde. Zijn antwoord daarop was eenvoudig. ,,Door mijn ziekte wil nu iedereen van mij horen. Dat maakt mij gelukkig. Ook omdat ik wel echt iets te bieden heb. Ik wil geen valse bescheidenheid tonen.” Hij genoot ervan zijn ideeën te delen. ,,Dat heb ik altijd gedaan en ik wil daar niet mee ophouden.”

Door al die publieke optredens had René er ook veel nieuwe vrienden bij gekregen. Cabaretier Theo Maassen, dichteres Anne Vegter, ‘iceman’ Wim Hof en vele anderen openden voor hem nieuwe vensters op de wereld. Hij noemde het ‘een ongelofelijke luxe’ in dit laatste stadium van zijn leven dit soort verrassende contacten op te doen. Dit had hij voornamelijk aan zichzelf te danken. Niet voor niets noemde schrijfster Connie Palmen hem, tijdens de herdenkingsbijeenkomst voor René in de Rode Hoed in Amsterdam, een ‘allemansvriend’. Toch trok hij zich af en toe ook welbewust terug met zijn vrouw en twee zoons. Dan gaf zijn e-mail de reply: ‘Babs en ik zijn even ondergedoken tot volgende week.’ Een noodzakelijke actie want het leven bleef hem telkens naar voren trekken. ,,Dat is nu eenmaal de macht der gewoonte,” zei hij begin dit jaar. ,,Ik heb ook de neiging om stug door te gaan, daar kom ik makkelijker van af als ik het leven dat ik heb geleid telkens evalueer met mijn geliefden. Zij corrigeren mijn onzin – wanneer ik bijvoorbeeld te mild of te streng voor mijzelf ben. Mijn vrouw en zoons zijn een stuk nuchterder dan ik, ook mijn vrienden zoek ik daarop uit.”

Dat gezamenlijk evalueren hielp volgens René ook ter voorbereiding op de naderende dood. ,,Er zijn mensen die het liefst in hun eentje het beest in de ogen willen kijken. Dat kan, maar de stervende moet er wel op letten welke impact dat heeft op de achterblijvers.” Hij haalde er de film About Time (2013) bij waarin de Britse echtgenote van een stervende man verzucht: ‘I am fucking furious. I am so uninterested in a life without your father.’ Juist degenen die achterblijven kunnen bang zijn voor de dood van de ander, meende René. ,,Ik blijf erbij dat die angst serieuzer genomen kan worden dan die voor de eigen dood. Zelf doodgaan is helemaal niet zo ingewikkeld. Zelfs als je je er tierend tegen verzet, gebeurt het toch. In alle gevallen is het eigenlijk vooral kut voor de omstanders.” De individuele doodsangst, de eigen benauwdheid, noemde René een terechte emotie. Toch probeerde hij deze in goede banen te leiden. ,,Het besef dat mijn eindigheid verdriet met zich meebrengt bij anderen, opent de mogelijkheid om mee te doen aan het lenigen van dat verdriet. Ik vind dat belangrijk, en ik doe het ook uit eigenbelang.”

Met de openlijke manier waarop René over zijn stervensproces sprak, wist hij in Nederland duidelijk een gevoelige snaar te raken. Vooral toen hij in september afscheid nam in DWDD en in december in het EO-programma De Kist verscheen, bleven tweets als ‘Eén grote levensles’ en ‘Ontroerend gesprek’ binnenstromen. Tv-recensent Jean-Pierre Geelen van de Volkskrant twitterde naar aanleiding van De Kist: ‘Godallemachtig, wat is dit weer een indrukwekkend college’. Actrice Carice van Houten schreef: ‘Lieve meneer @ReneGude dat was heel mooi en troostrijk’. Onze omgang met de dood was en is overduidelijk een hot item: een onderwerp dat raakt en waar vragen over zijn – daarom werd René ook telkens weer aangespoord om erover te praten.

Als journalist was ik aanvankelijk geïnteresseerd in de rol die René op zich had genomen om de dood bespreekbaar te maken in het publieke domein. Was zijn humeurmanagement – een levenshouding waarbij hij zichzelf uitdaagde zijn emoties de baas te blijven – eigenlijk wel een filosofische kwestie? Naarmate we vaker met elkaar spraken, drong een ander thema zich op. Als dochter van een filosoof groeide ik op met het idee dat een denker vooral in een ivoren toren moet zitten om voor vakgenoten vragen en antwoorden op eeuwenoude kwesties te formuleren. Filosofie wordt beoefend binnen de muren van de universiteit en, met een beetje geluk, kunnen de resultaten soms gedeeld worden met de buitenwereld. Maar dan nog in zeer beperkte mate, want het jargon leent zich er niet voor. René erkende de voordelen van dit intellectuele isolement, maar wees er tegelijkertijd op dat een filosoof wel degelijk een bredere, maatschappelijke functie kan vervullen. ,,Je wilt het publiek toch laten meegenieten van de resultaten?” Hij concludeerde dat er altijd filosofen zijn geweest die zich tot het grote publiek hebben gericht maar dat je een onderscheid kunt maken tussen twee soorten denkers: de publieksfilosoof en de academische filosoof. René plaatste zichzelf in die eerste categorie. Hij zag een aparte rol voor zichzelf weggelegd: het vertalen van interessante gedachten van voorgangers naar een breed publiek. En hij ging zelfs een stap verder. Waarom komt er op de universiteit geen afstudeerrichting publieksfilosofie?

Donderdag 12 maart, de dag voor zijn dood, raakte René, naar aanleiding van de laatste vragen die ik over dit onderwerp had gestuurd, nog in een verhitte discussie met Florian Jacobs, zijn assistent met wie hij al maanden bezig was zijn werk te ordenen. Wat was nou precies het verschil tussen die ‘academische filosoof’ en de ‘publieksfilosoof’ en waarom heb je filosofie nodig om uiteindelijk meer over je eigen aandeel binnen het universum te kunnen vertellen? Florian gaf de laatste opmerkingen via de mail door en ik heb ze zo goed mogelijk verwerkt in de teksten die we al hadden doorgenomen. René heeft het uiteindelijke resultaat zelf niet meer kunnen lezen.

Tegen het einde van zijn leven vond de Denker des Vaderlands dat hij over het thema dood wel ‘genoeg gekletst’ had. Toch heb ik ervoor gekozen om de passages erin te laten staan waarin René uitlegt waarom hij zijn ideeën over het stervensproces zo expliciet naar buiten heeft gebracht en waarom wij ons niet moeten laten misleiden door de afschrikwekkende kant van de dood. Maar ondertussen was er meer om ‘over te kletsen’. Want wat kunnen we nu nog leren van Aristoteles, Descartes of Kant? Wat is een goede leraar? Kort voor zijn dood wilde René nog van alles kwijt. Zoals hij in het gesprek dat hierna volgt ook beaamt, ‘wat geschreven is, heeft een kans om te blijven’. Dit boekje is een poging om een deel van zijn ideeën nog een plek te geven. De volgende pagina’s moeten worden opgevat als een onaf gesprek. Maar dat hoeft geen beperking te zijn. Integendeel. Uiteindelijk is de filosofie een onaf gesprek.

Rosan Hollak,

Augustus, 2015

€5,99 Download nu Beschikbare versies
EPUB

Alle ebooks